Oefenen is wettelijke verplichting

“Moet ik wel of niet oefenen als brandweerchauffeur?” “Is de brancherichtlijn een verplichting?”. Ja, je dient regelmatig te oefenen en de brancherichtlijn dien je voor 100% te kennen en toe te passen als brandweerchauffeur. Dat is het heldere antwoord. Je bent als brandweerchauffeur aansprakelijk voor jouw taakuitvoering. Dat wil zeggen dat jij voor het hekje staat, mocht je ineens verdachte worden. Je wordt verdachte als je bijvoorbeeld een ongeluk hebt veroorzaakt, waarbij andere mensen (zwaar)gewond zijn geraakt, of waarbij mensen zijn overleden. Dan wordt er gekeken naar jouw geoefendheid. Er wordt namelijk van uit gegaan dat je bekwaam bent. Dit moet je aantonen door middel van een certificaat en een sluitende registratie. Inmiddels zijn hierover al diverse rechterlijke uitspraken gedaan.

 

 

Als chauffeur ben je persoonlijk aansprakelijk voor de gevolgen van een veroordeling. Dus zorg er goed voor dat je bekwaam en regelmatig bent opgeleid. Is dit niet het geval: bespreek dit dan direct met jouw korpsleiding.

 

Wettelijke verplichting

Het oefenen van vaardigheden is verplicht. Dit is vastgelegd in de Brandweerwet 1985, artikel 4, lid 1. En jij bent als chauffeur hiervoor verantwoordelijk. Een simpele “ik wist dit niet, want ik ben niet geoefend”, is niet houdbaar voor een rechter en het openbaar ministerie. En op een strafblad zit niemand te wachten.

Bij de regeling worden openbaar lichaam met de aanduiding regionale brandweer ingesteld. Het openbaar lichaam is rechtspersoon. Bij deze regeling dragen de deelnemende gemeenten in elk geval de volgende taken op aan het bestuur van de regionale brandweer:

  1. het verzorgen van: oefeningen het oog op het optreden in groter verband.

 

De Wet rampen en zware ongevallen

Artikel 3

Het college van burgemeester en wethouders is belast met de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in de gemeente, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald. Het bevordert in het bijzonder het houden van oefeningen en de totstandkoming van afspraken, die nodig zijn voor een doelmatige bestrijding van rampen en zware ongevallen.

 

Arbeidsomstandighedenweg 2007

Met ingang van 1 januari 2007 is de arbeidsomstandighedenwet in Nederland gewijzigd. Werkgevers en werknemers hebben door de nieuwe Arbowet meer mogelijkheden gekregen om zelf invulling te geven aan de wijze waarop ze in de eigen sector aan de wetgeving voldoen.  Dit is maatwerk.

Uit de Arbowet blijkt een uitdrukkelijke verantwoordelijkheid voor oefenen. Zo moet het brandweerpersoneel adequaat zijn opgeleid en geoefend. Hiervoor moet de brancherichtlijn worden gevolgd.

 

De Arbeidsinspectie zal in geval van een ongeluk de Leidraad Oefenen als richtlijn gebruiken om te toetsen of de betrokkenen voldoende zijn geoefend. Registratie speelt hierbij een belangrijke rol. Kan de werkgever dit niet duidelijk maken, dan kan de Arbeidsinspectie achteraf een eis tot naleving en een boeterapport opstellen.

 

  1. Wordt regelmatig geoefend wat noodzakelijk is?
  2. Worden de oefeningen aan de hand van de oefendoelen opgezet?
  3. Worden de oefeningen beoordeeld aan de hand van de gestelde criteria?

 

Hierbij geldt dat de oefenfrequentie wordt afgestemd op de oefenbehoefte van de chauffeurs van het korps. Elke oefenkaart geeft een indicatie aan van de frequentie waarmee de oefening moet worden uitgevoerd. De oefenmodus is standaard op 1 gezet (1 x per jaar). Afhankelijk van de risico’s binnen het verzorgingsgebied en de repressieve kwaliteit van de deelnemers kan die frequentie naar beneden of juist naar boven worden gebracht. Als er taken weinig voorkomen in het verzorgingsgebied, maar die wel een potentieel risico opleveren (zoals chauffeur met optische en geluidssignalen), juist goed geoefend moeten worden. De kwaliteit van repressief optreden dient te allen tijde te zijn gewaarborgd.

 

Er ontbreekt een indicatie over de frequentie van de oefeningen. Dit is in te vullen naar inzicht van de afzonderlijke korpsen.

Aangezien we over 80% vrijwilligers spreken bij de brandweer, kan verondersteld worden dat er relatief weinig ervaring is met het uitrukken met optische en geluidssignalen (OGS). Dit gezien de categorie voertuigen (zwaar) en de bijzondere voertuigen. Nog losgezien van het startniveau en competenties van de chauffeur in kwestie. Hoe de chauffeur van nature rijdt, maakt tot op heden geen onderdeel uit van de selectie-eisen. Een deel van de chauffeurs zal de competentietoets niet kunnen doorstaan. Er is gewoonweg te weinig rijervaring aanwezig. Vaak woont deze chauffeur te ver weg van de kazerne, waardoor de geoefendheid fors daalt. Hij of zij verricht te weinig uitrukken als chauffeur van een brandweervoertuig (zwaar).

 

Het Openbaar Ministerie zal dit ook opvallen, indien sprake is van een ongeval. Deze zal hierover verdere vragen stellen: ben je op de hoogte van de brancherichtlijn Brandweer, wat motiveerde jou om af te wijken van deze richtlijn? Wat was de aard van de melding? Hoe staat het met jou geoefendheid?

 

Brandweerrijschool

De Brandweerrijschool heeft als missie, de kwaliteit van de brandweerchauffeur op een hoger niveau te brengen, waarbij rekening wordt gehouden met deze wettelijke verplichtingen. De brandweerrijschool ondersteunt Veiligheidsregio’s, regionale opleidingscentra, oefencoördinatoren en korpsen in het ontwikkelen van praktische en leerzame programma’s voor de chauffeurs, zodat deze ook kundig worden getraind en vaardigheden kunnen aanleren.  En in het registreren van een sluitend lesprogramma, afgestemd op de behoefte van de betreffende chauffeur. Dit kan zij doen via de Profcheck.

 

  1. Ontwikkelen van lesplannen voor de brandweerchauffeurs, waarbij de behoefte van de chauffeur het uitgangspunt is,
  2. Ontwikkelen van leerzame inzetten voor de chauffeurs, zodat ze geoefend (en gemotiveerd) blijven,
  3. Het afnemen van bekwaamheidstoetsen (licht en zwaar),
  4. Het vakbekwaam houden van de chauffeurs.

 

Meer informatie over de Brandweerrijschool vind je hier.